De eerste stapjes in taal beginnen lang voor het eerste woordje. In de beginfase communiceert je kind al volop: met blikken, glimlachen, geluidjes, bewegingen.
Elke reactie die een volwassene daarop geeft, vormt een bouwsteen voor taal.
Volgens de Hanen principes doorloopt elk kind in de vroege communicatieontwikkeling vier fasen: van ontdekker tot bouwer. Door die fasen te begrijpen, kunnen we als ouder of begeleider beter afstemmen op wat het kind nodig heeft om verder te groeien.
In de prelinguale fase (dit is de eerste fase van de taalontwikkeling) bevinden kinderen zich vooral in de eerste twee stappen: de ontdekker en de stille prater. In deze periode draait het nog niet om woorden, maar om de basis van communicatie: contact, gedeelde aandacht en plezier in samenspel.
Van ontdekken naar samen praten
De ontdekker reageert vooral reflexmatig: een glimlach bij een bekend gezicht, een geluidje bij spanning of plezier. Communicatie ontstaat uit herhaling en voorspelbaarheid: een ouder die steeds opnieuw op een lachje reageert, leert je kind dat zijn signalen effect hebben.
Wanneer je kind leert dat gedrag zorgt voor een reactie, komt het in de fase van de stille prater. Je kind gebruikt gebaren, mimiek en geluidjes bewust om iets duidelijk te maken: wijzen naar iets dat het wil, de armen uitstrekken om opgetild te worden. Hierin ligt de basis van echte interactie. Ze beseffen dat communicatie tweerichtingsverkeer is. Door consequent op signalen in te gaan, wordt communicatie niet toevallig, maar doelgericht.
Taaluitlokking in dagelijkse situaties
Taalontwikkeling kan op elk moment van de dag. Het groeit in gewone, herhaalde momenten van de dag, waar kinderen betekenisvolle interactie ervaren.
Eetmomenten
Bijvoorbeeld: samen kijken naar een lepel/fles en even wachten tot een kind zijn mond opendoet, of benoemen wat er gebeurt: “hapje”, “meer”, “klaar", "nog". Door een korte pauze te houden na het aanbieden van een hapje, krijgt het kind ruimte om met een blik, geluid of gebaar te reageren. Dit kleine moment van wachten kan het begin zijn van een gesprek, zonder dat er woorden nodig zijn.
Verzorgmomenten
Hier kun je taal uitlokken door routines te benoemen en te herhalen: “blokje in het water… plons!” Door een pauze in te lassen bij het ‘plons’-moment, nodig je het kind uit om te anticiperen of geluid te maken. Herhaling en voorspelbaarheid helpen het kind patronen te herkennen, wat de basis legt voor taalbegrip. Ook bij omkleedmomenten kun je je acties benoemen: “Sok uit… voet erin… klaar!” Zo bied je taal aan en creëer je mogelijkheden tot interactie.
Bedritueel
Hier kun je taal koppelen aan emoties en veiligheid: zachte herhaling zoals “Slaap lekker”, “Droom zoet” en benoemen van gevoelens zoals “Je wordt al moe”, “Lekker warm in bed”. Kinderen leren zo dat woorden niet alleen dingen benoemen, maar ook relaties en gevoelens uitdrukken.
Zo doe je dat in dagelijkse routines:
-
Benoem wat het kind doet of ervaart in korte, duidelijke zinnen.
-
Pauzeer bewust om het kind de kans te geven te reageren met woord, gebaar of blik.
-
Herhaal en breid uit wat het kind initieert: “Meer?” → “Ja, nog een hapje!”
-
Gebruik voorspelbare woorden en ritme om taal te verbinden aan acties en gevoelens.
Taal in spelsituaties
Open-ended play: simpele voorwerpen zoals de light up cubes van Lumi, rammelaars of zachte knuffels geven het kind vrijheid om te ontdekken en geluiden te maken. Bijvoorbeeld: een kind schudt een rammelaar → jij zegt: “Kling, kling!”
Sensory play: voelervaringen zijn essentieel: zacht, hard, glad of ruw. Materialen zoals sensorische ballen, PlanToys zand speelset bieden rijke zintuiglijke prikkels. Benoem wat het kind voelt of hoort: “Zacht!”, “Hard!”!”
Educatief spel: eenvoudige activiteiten zoals sorteren of eenvoudige kartonboekjes zoals "mijn tomaatje" stimuleren interactie, woordenschat en vroege probleemoplossing.
Zo doe je dat:
-
Volg het initiatief van het kind en reageer op geluiden, gebaren of bewegingen.
-
Benoem wat het kind doet of ervaart in korte, concrete woorden.
-
Breid uit door 1–2 extra woorden toe te voegen: “Rammelaar!” → “ring, ring, rammelaar!”
-
Pauzeer zodat het kind zelf kan reageren met geluid, blik of gebaar.
-
Verbind woorden aan tactiele ervaringen, beweging en emoties.
-
Gebruik herhaling en voorspelbare zinnen om taal te koppelen aan routines.
-
Moedig imitatie aan: jij maakt een geluid of gebaar, kind herhaalt.
Bewust taal uitlokken
De kracht van taaluitlokken ligt niet in veel praten, maar in bewust reageren.
Drie eenvoudige richtlijnen helpen daarbij:
- Volg het kind. Waar kijkt het naar? Wat probeert het te doen? Door daarop in te spelen, voelt het kind zich begrepen en gehoord.
- Wacht en geef ruimte. Laat stiltes vallen. Die paar seconden zijn vaak het moment waarop het kind initiatief neemt.
- Geef betekenis. Benoem wat het kind ervaart: “Warm water”, “Grote bal”, “Jij lacht!” Zo verbind je woorden aan beleving.
Deze principes vormen de kern van natuurlijke taalstimulatie. In de normale ontwikkeling komen kinderen op eigen tempo tot woorden, maar de rijkdom van hun interacties bepaalt hoe soepel die overgang verloopt.